De neergang van de publieke zaak: feiten en argumenten doen niet meer ter zake

We zijn in een situatie beland die lijkt op de toestand van de wereld voor de Eerste Wereldoorlog. Een wereld die door die oorlog fundamenteel veranderde. We dansen in Europa ook nu op de muziek van hoge materiële welvaart binnen de kleine (nu virtuele) eigen ego-werelden, terwijl de wereld letterlijk brandt en overstroomt. We geloven wat we geloven omdat onze zwaar opgetuigde ego’s dat eisen. We schreeuwen dagelijks elektronisch ons gelijk over de grenzen van ons eigen territorium naar de vijandige buren. De media helpen ons daar intensief bij, 24 uur per dag, op een uiterst winstgevende manier.

Maar er zijn grote scheuren zichtbaar geworden in de muren van het gebouw van de Westerse beschaving. Het Westen is niet meer leidend in de wereld. De Westerse waarden zijn geërodeerd. De mondiale economie brokkelt af. Er is sprake van een volstrekte impasse in de financiële (eigen) belangenstrijd binnen de leidende klasse over de aanpak van de overal reeds optredende klimaatveranderingen. Van bestuurlijke onmacht en – onvermogen (zie de aanpak van de Corona crisis) en vooral van bestuurlijk-politieke onwil. Van democratieën die worden verlamd door de alleen nog op de media gerichte politici. Van door politiek adviseurs lamgelegde ambtelijke bureaucratieën. Van democratische instituties en maatschappelijke stelsels waarvan de fundamenten de afgelopen 10 jaar volstrekt zijn ondergraven. Van werkende mensen achter beeldschermen die leven in een eigen groepswerkelijkheid. Van een onverschillige hoogopgeleide elite, die het dagelijkse overbezette eigen leven leeft binnen de eigen wereld. Van een sociale onderlaag waarin criminaliteit en agressie tegen het gezag hoogtij viert.

De historische periode van 200 jaar ‘Verlichting’ is voorbij. Feiten en argumenten over welke voor de burgers dan ook urgent van belang zijnde zaken, doen niet meer ter zake in een algemene ideologie van geïndividualiseerde beleving van de media-werkelijkheid. In een wereld van burgers die geen enkel besef meer hebben van de geschiedenis, zelfs niet van de afgelopen 50 jaar. Laffe uit angstig eigen belang toegepaste zelfcensuur smoort de intelligentsia. De creatieve klasse richt zich nog slechts op het marketen van hun creaties. In de publieke ruimte verzuipen analyse en deskundig commentaar in het lawaai van de mediakermis, valse reclame en fake nieuws.

Wellicht is de tijd aangebroken om in deze tijden van mogelijk dramatische omslagen, nog slechts toe te kijken en de loop van de onzekere toekomst maar gewoon te ervaren en te ondergaan. Zoals de decadente volgevreten Romeinse burgers deden bij de invallen van de Germaanse Goten uit het Noorden rond 400 n.C. De inval die, ook al duurde dat nog wel 50 jaar, het einde inluiden van de West Romeinse beschaving.

Maar we zullen blijven signaleren.

De toekomst is uiterst onzeker (2)

Zoals in de afgelopen artikelen beschreven, is er weinig peil te trekken op allerlei fundamentele toekomstige ontwikkelingen. Maar het zal nooit weer worden als voor de Corona-uitbraak. De niet-lineaire samenhang tussen de vele politieke, economische en maatschappelijke tendensen is in de komende tijd te complex om zelfs maar in brede trekken mogelijke ontwikkelingen te schetsen. De chaos-theorie zegt ons dat diverse mogelijke gebeurtenissen in hun samenhang tot radicaal verschillende uitkomsten kan leiden.

Hernieuwde oplevingen van de Covid-epidemie kunnen nog jarenlang tot fundamentele mondiale economische verstoringen leiden. De economie van de schaarste in het aanbod van productiefactoren (waaronder arbeid) zullen vele bedrijven in de problemen brengen. Hoge prijzen voor gas en olie, en ook schaarste aan elektriciteit zullen sowieso al tot forse kostenstijgingen voor bedrijven en consumenten leiden.

De prijzen van eindproducten voor consumenten zullen, zelfs indien weer leverbaar, in ieder geval blijven stijgen door een overmatige vraag (bijv. bouwmaterialen, auto’s). Lonen zullen stijgen door gebrek aan arbeidskrachten, maar zoals in het verleden niet voldoende om de prijsstijgingen te compenseren. Of op termijn nog sprake zal zijn van een reëel groeiende economie is maar de vraag. Verschillende indicatoren wijzen op stagflatie. Geen groei betekent in de ideologie van het kapitalistisch economisch systeem achteruitgang.

Dan rijst de vraag welke financiële bubbels op welke termijn uiteen zullen spatten. De aandelenmarkten? De huizenprijzen? De staatsschulden (de laatste jaren grotendeels gefinancierd door de Centrale banken)? Een nieuwe eurocrisis? Kunnen de pensioenuitkeringen in stand blijven?

De nationale staten zullen in een stagflatie periode het niveau van de overheidsuitgaven waarschijnlijk niet kunnen handhaven (gezondheidszorg!) en waarschijnlijk opnieuw tot zware bezuinigingen gaan leiden.

Het is ook niet erg waarschijnlijk dat in een onzekere economie forse klimaatmaatregelen op voldoende steun kunnen rekenen, maatregelen die (niet alleen in Nederland) aangejaagd door ‘rechts’ via de media tot forse sociale onrust kan leiden. Anderzijds kunnen de komende jaren de klimaateffecten zelf, zoals extreem weer en migratiedruk, op zich al tot ernstige sociale disruptie leiden.

Europa speelt wereldpolitiek nauwelijks een rol. Maar zal wel de gevolgen van de politieke spanningen in de wereld ondervinden. Politieke crisis tussen niet-EU landen kunnen ook nog eens economische gevolgen krijgen (schaarste), die behoorlijk van invloed kunnen zijn, bijvoorbeeld de relatie China-Amerika of de situatie in het Midden-Oosten.

De groeiende ongelijkheid tussen de superrijken, de hoogopgeleid goed gesitueerden, de afkalvende middenklasse en het groeiende ‘precariaat’ (zij die nauwelijks hun dagelijkse uitgaven kunnen dekken) zal door economische problemen overal ter wereld nog verdere sociale onrust aanwakkeren en – nu nog – stabiele regeringen gaan ondergraven, zoals in Zuid-Amerika al gaande is.  

De te verwachten sociale onrust zal de tendensen naar de surveillance staat zeker versterken. Zwakke landsbesturen grijpen altijd naar groepsonderdrukkende maatregelen, zelfs in Nederland.

De meeste EU-burgers zullen de economische- en maatschappelijke gevolgen dagelijks ondervinden. Maar niet beseffen dat sprake is van fundamentele veranderingen onder invloed van infantiliserende journalistiek en fake news. Het nieuwe ‘normaal’ zal, net als de pandemie, dag voor dag inslijten. Buiten de onvermijdelijke extreme weerverschijnselen als gevolg van klimaatverandering, worden het historisch gezien op allerlei terreinen spannende tijden.

Het mistige Wereldtoneel (2)

Op het huidige mistige wereldtoneel speelt Europa politiek maar een kleine rol. De ‘soft’ power van het derde grootste economische blok ter wereld heeft weinig politieke betekenis. Europa is op het gebied van de buitenlandse politiek geen eenheid, Europa heeft geen eigen militaire macht en voert nog dagelijkse interne strijd om de economische unie in stand te houden. Amerika als bondgenoot is de facto weggevallen.

In de nieuwe wereld van de Corona epidemie is sprake van destabiliserende krachten:

  • Een bestuurlijke-, economische en intellectuele elite die vooral gericht is op bescherming van eigen machts- en economische belangen, ondanks probl;
  • Rechts-nationalistische antidemocratische en zelfs autocratisch-corrupte tendensen in Oost-Europa;
  • Structurele economische onevenwichtigheden tussen Noord- en Zuid-Europa welke steeds weer tot financiële spanningen (zullen) leiden;
  • Democratisch politieke versplintering als gevolg van de vele sociale media bubbels en -netwerkjes;
  • Sociaal destabiliserende desinformatie-campagnes vanuit Rusland, China én Amerika;
  • Het politiek-corrupte post-Brexit Engeland dat zijn bestuurlijke onvermogen dagelijks op de EU als grootste vijand blijft projecteren en bevechten;
  • Crimineel winstgevend aangejaagde migratie-druk uit het Nabije Oosten en Afrika op de Europese grenzen, letterlijk ondersteund door landen die aan Europa grenzen;
  • Permanente economische pressie door commerciële belangen van wereldwijde monopolistische marktmachten, welke er dag in dag uit in slagen gericht EU-beleid op vele terreinen te ondergraven;
  • Bestuurlijke zwakte, dagelijks verder ondermijnd door het 24-uurs commerciële mediacircus;
  • Economische zwakte door de logistieke afhankelijkheid van aanvoer van grondstoffen, halffabricaten en eindproducten uit de rest van de wereld;
  • Dagelijkse cyberaanvallen door criminele IT-groepen gelieerd aan autocratische regeringen;
  • Ondergraving door inmiddels half bovengrondse criminele drugsimperia.

Het is voorlopig nog volstrekt onduidelijk hoe de twee West Europese EU-machten zich in de toekomst politiek zullen ontwikkelen. In Duitsland moet zich nog een nieuwe regering manifesteren. Frankrijk is in afwachting van nieuwe presidentsverkiezingen in 2022. En hoe gaan die 2 landen in de toekomst samenwerken? 

Mensenrechten zijn ook Europees allang geen issue meer. Europa kan wereldwijd mensenrechten niet afdwingen en nauwelijks nog politiek bevorderen. De persoonlijke privacy van haar burgers wordt op grote schaal geschonden door niet-Europese Techmachten en Staten. Zelfs de persoonlijke veiligheid van bestuurders, journalisten en burgers met een hoog sociaal profiel zijn nu steeds vaker in het geding.

Maatregelen tegen ‘klimaatverandering’ zullen ook in Europa door de wereldwijd mistige politieke- en economische situatie nauwelijks van de grond komen. De loodzware urgentie kan zich voorlopig politiek simpelweg niet in helder beleid vertalen.

Nederland past ook in dit plaatje. Een ‘Angelsaksische’ vrije-markt economie die gestuurd door commerciële belangen ( door onder meer de agrarische sector)  het democratisch bestuurs-en rechtssysteem reeds lange tijd heeft uitgehold. Een politieke elite die niet meer in staat is doeltreffend te regeren en alleen nog maar bezig is met hun imago in de media. Een technocratisch financieel gericht ambtenarenapparaat dat geen enkele binding meer heeft met de eigen burgers.

En de Europese burger? Die leeft in zijn eigen bubble. Binnen de kapitalistische ideologie van snelle rijkdom. Binnen de realiteit van economische armoede. Binnen beelden van slachtofferschap. Met de normale middenklasse drang tot handhaving van de eigen sociale- en financiële positie. Met propagandistische vijandbeelden buiten de eigen groep. Met een narcistische superieure moraliteit van de jonge progressieve elite die met een zwaar dogmatische religie als iconoclasten de geschiedenis en taal van de burgers structureel willen veranderen, maar slechts een andere vorm van ‘big brother’ terreur zaait.

Er wordt gesproken over een periode van economische stagflatie. Maar maatschappelijk zullen we waarschijnlijk een lange periode te maken krijgen met stagnatie.

Het mistige Wereldtoneel (1)

In het rijtje toekomstige onzekerheden speelt het huidige mistige wereldtoneel een cruciale rol. In de eerste plaats het nieuwe gezicht van China. De Westerse landen hebben uit economisch gewin sedert 1990 hun eigen chinese draak voortgebracht.

China is de afgelopen 5 jaar van een economische reus (de fabriek van de wereld) veranderd in een internationaal politiek agressieve gigant. Hong Kong werd ‘genationaliseerd’, het politieke systeem gelijkgeschakeld, opposanten na schijnprocessen opgesloten. Miljoenen van mogelijk toekomstig terrorisme verdachte islamitische Oeigoeren verdwenen in concentratiekampen. Grote internationale Chinese ‘particuliere’ bedrijven werden dit voorjaar onder stevige politieke controle gebracht (bijv. Ali Baba). De culturele vrijheid werd kortgeleden sterk ingeperkt via een volstrekt gecontroleerd internet waarmee een surveillance staat zoals in Orwell’s ‘1984’ werd gecreëerd. Waarin Big Brother je letterlijk dag en nacht beloerd.

De speciale positie van Taiwan zal de komende jaren permanent onder druk staan. Er is geen peil op te trekken wanneer China daadwerkelijk tot annexatie van Taiwan over zal gaan. Maar dit zal ongetwijfeld gaan gebeuren. Het opeisen van de Zuid Chinese zee (3.5 mln vierkante kilometer, waaraan veel Zuid Oost Aziatische landen grenzen, zoals Indonesië en de Filipijnen) als ‘Chinees’ zal stap voor stap in een reeks van kleinere conflicten doorgaan, zoals we van China gewend zijn. Het plan is het plan.

Als fabriek van de wereld beheersen de Chinezen grote delen van de elektronica produktie. Maar ook de productie van goedkope consumentengoederen die wereldwijd armere consumenten van spullen voorziet. Economisch hebben de Chinezen wereldwijd een behoorlijke grip op een zeer groot aantal landen  (lange termijn contracten en peperdure leningen) voor levering van grondstoffen. Logistiek hebben ze overheersende posities in het zeevervoer en in belangrijke havens (w.o Rotterdam). Ze aarzelen niet in conflicten met andere landen burgers van die landen te gijzelen. Ook leggen ze tegenwoordig doodgewoon met ‘juridische middelen’ beslag op kleinere Westerse bedrijven in China.     

Op het gebied van informatie technologie behoren ze tot de top van de wereld en maken ze dagelijks gebruik van cyberspionage om technologie te stelen en cybersabotage om andere landen te destabiliseren.

Militair overvleugelen ze Amerika nog niet, maar ze ondergraven dag in dag uit waar mogelijk de Amerikaanse institutionele zwakheden, waardoor gedecideerd optreden van de Amerikanen (ook militair) steeds minder waarschijnlijk lijkt. Amerika is al in verschillende gevallen uiterst kwetsbaar gebleken voor cyberaanvallen. Het is nauwelijks aan te nemen dat de Amerikanen uiteindelijk Taiwan zullen beschermen. Maar het blijft onzeker. Zelfs een kernoorlog in de Pacific is nooit uit te sluiten.

Wat weinig onzeker lijkt is de afnemende machtspositie van Amerika. Het land lijkt te verworden tot een economische reus op lemen voeten, een economie van copyright, advertenties en monopolies. Het land is tot op het bot verdeeld tussen politieke, economische en persoonlijke machtsbelangen (Trump). In een diep gepolitiseerde cultuur van dogmatische opvattingen en extremisme, kun je alleen nog in naam spreken van een democratie. Amerika is voor andere landen, ook voor Europa, tot een volstrekt onbetrouwbare bondgenoot verworden.

In deze setting valt nauwelijks op dat de internationale instituties als de Verenigde Naties de laatste jaren enigerlei rol van betekenis verloren. De grote autocratische landen als China, Rusland, Saudi-Arabië, Turkije, Israël, India, Brazilië en Iran maken iedere vorm van mondiale samenwerking tot een farce. In bijvoorbeeld Syrië, Jemen, Myanmar, Palestina en Ethiopië worden al jaren nog altijd uiterst bloedige conflicten uitgevochten zonder enig uitzicht op een oplossing via de UN. Het bovenstaande rijtje landen maakt nota bene deel uit van de VN Mensenrechten-commissie met als enig doel het functioneren van deze commissie te blokkeren.

Ondanks met fanfare omklede Klimaatconferenties (zoals binnenkort weer in Engeland) lijkt het uitgesloten dat er feitelijk in de toekomst effectief mondiaal zal worden samengewerkt om de aantasting van de aardse leefomgeving tot staan te brengen. Daarvoor zijn de eigen belangen van vele niet- of zogenaamd democratische staten (en de persoonlijke belangen van de machthebbers) te groot.

De onzekere toekomst van de Gezondheidszorg voor de burger

De macht van de mondiale medische concerns is bijna onaantastbaar geworden. Deze bedrijven dicteren de prijzen van nieuwe medische apparatuur en medicijnen. Met weinig patiënten die heel veel betalen zijn deze bedrijven qua rendement beter uit dan zich de inspanning te moeten getroosten om grotere aantallen goedkoper te produceren. Ze maken daarmee de modernste medische middelen onbereikbaar voor de wereldwijde bevolking, zoals nu al het geval is in armere landen. 

Ook in Europa zal voor een groot deel van de bevolking de top van de Gezondheidszorg niet meer toegankelijk worden. De gepatenteerde medische technologie en – biotechnische medicijnen zullen voor de reguliere gezondheidszorg onbetaalbaar worden. Het aandeel van de medische zorg in het Nationaal Inkomen kan nergens in Europa veel verder meer stijgen. Het aandeel werkenden in de Gezondheidszorg ook niet. Er is een grens aan de medische voorzieningen voor ouderen en specialistische ziekten van kleine deelgroepen. De beste gezondheidszorg zal alleen in particuliere klinieken voor de rijken beschikbaar zijn.

Dit is een ontwikkeling die wereldwijd op zich al jaren aan de gang is en dan heb ik het niet alleen over arme landen. In Amerika en Engeland is reeds langere tijd sprake van die situatie. Ook in de Zuid- en Oost Europese landen is die tendens reeds lange tijd sluipende aan de gang. De vraag in Nederland is alleen wanneer bestuurders (en politici) deze olifant in de kamer publiekelijk gaat benoemen en de maatregelen tot onvermijdelijke kostenbeheersing gaat nemen. En vooral de vraag welke regels gaan dan gelden voor die abnormaal dure zorg?

Lange wachttijden zoals in veel Europese landen? Geen operaties meer voor 80 plussers? Ligduur op IC’s (dus geen niet-gevaccineerde Covid patienten meer naar de IC)? Geen medicijnen verstrekken duurder dan 15.000 euro per jaar? Kankerpatiënten sneller uitbehandeld verklaren? Behandeling van (ex-)rokers en obesen stopzetten? Hele moeilijke vragen, die je met wat abstracte criteria niet kunt beantwoorden.

De vermoorde beroepsziel van de frontverpleegkundigen

De leidinggevenden van ziekenhuizen en de dokters van de diverse specialistische afdelingen zullen er publiekelijk niet graag over spreken: dat een hoog percentage verpleegkundigen er geen zin meer in heeft.

De managers, dokters en de verpleegkundigen zelf hebben hun zorg wel uitgesproken, zeker! Over het veel te hoge ziekteverzuim, over hoe moe de verpleegkundigen zijn, hun frustraties over de hoge werkdruk bij een te lage beloning. 

Maar over de dieperliggende kwestie van de vermoorde beroepsziel, dat zullen ze publiekelijk niet gauw benoemen. Daarover publiekelijk spreken, in de krant, voor de tv? Beter niet doen, want de verpleegkundigen openlijk te veel gelijk geven dat hun beroepsziel vermoord wordt, dat moedigt hun weggaan mogelijk nog verder aan. En bovendien zullen de dokters zelf ook niet altijd vrij zijn van gedachten om een andere, minder stressvolle werkplek te gaan zoeken (*). Alleen dat al suggereren zou de afdelingssfeer vergiftigen, het teammoreel nog meer doen dalen, en de chaos compleet maken. 

Het gaat dus om de beroepsziel, over wat je ten diepste motiveert om voor een bepaald beroep te kiezen. Wat zit er in die beroepsziel? De passie om een bepaald soort problemen te willen oplossen, grote affiniteit met je doelgroep, grondige kennis van zaken, talent voor bepaalde vaardigheden, vak ervaring, sterke competentietrots, oftewel de beroepsidentiteit? Maar wat het ook is, men zal altijd zijn zelfrespect, zijn waardigheid nodig hebben om intrinsiek gemotiveerd te blijven. En juist in de zorg liggen deze intrinsieke maar vooral de extrinsieke motivaties uiterst gevoelig.

De intrinsieke beroepsmotivatie is een complex ding omdat die samenhangt met de persoonlijkheid, met positieve en traumatische levenservaringen, met de vaak al uit de jeugd stammende fascinatie voor een bepaald onderwerp. En met aanmoedigende ouders, inspirerende onderwijskrachten en vak-opleiders, en zelfs de genetica speelt bij motivatie een rol. Men ontleent zijn werkmotivatie en zelfrespect grotendeels aan zichzelf. Men beloont zichzelf.

Bij de extrinsieke motivatie is de beroepsbevrediging meer afhankelijk van belonende factoren in de werkcontext van de zorgprofessional: geld, status, een stimulerende groepsomgeving, goede secundaire arbeidsvoorwaarden, de waarderende woorden van de baas en de vakbroeders/zusters, een promotie, de woon/werkafstand, e.d. 

Zorg geven met een intrinsieke motivatie, zonder direct iets terug te vragen, onvoorwaardelijk, dat kun je heel lang volhouden. Kijk bijvoorbeeld naar de oerzorgers: de moeders en vaders (de moeders vaak nog meer dan vaders denk ik). Bij de oerzorgers spelen die tien genoemde ingrediënten van ‘hun beroepsziel’ nagenoeg geen rol, alleen de liefde voor het kind drijft hen, vaak levenslang. Bij hen is één is meer dan tien. De oerzorgers mogen hun zelfrespect dan wel eens verliezen (‘god, wat ben ik soms een slechte moeder/vader’) maar zelden zoveel en zo vaak dat ze hun kinderzorg opgeven. Oerzorgers kunnen wel dodelijk vermoeid zijn van de kinderzorg en de opvoeding, maar dat kan vaak opgevangen worden door een steunende partner, grootouders, familie, vrienden, buren, gezinszorg of zo mogelijk ingehuurde krachten. Als ze toch burn-out raken is er meer aan de hand dan vermoeidheid alleen, dan een ontbrekend steunend netwerk. 

Zo kan men de intrinsiek gemotiveerde zorgprofessional ook wel uitputten, maar niet snel kapot krijgen. Want je kunt hen wel op het salaris korten, bij een promotie passeren, een bonus en bijscholing onthouden, een kleiner kamertje geven, etc., het zal hun beroepsziel en zelfrespect niet wezenlijk aantasten. Ze raken gefrustreerd maar zullen hun beroep er niet om verlaten en iets anders gaan doen.

Bij de meer extrinsiek gemotiveerden ligt dat anders. Hun beloningsgevoeligheid maakt hen kwetsbaar voor pijnlijke salariskwesties, voor gedwongen overplaatsingen naar een ander team, voor nog meer taken en verantwoordelijkheden bij minder autonomie en een onduidelijke bevoegdheid, voor gedwongen overwerk, voor een slechte, onpersoonlijke werkroostering, e.d. Ze ruiken het valse begrip dat hun manager toont voor hun nijpende situatie. De managersmoezen die de kwalijke geur van efficiency, optimalisering en kostenbesparing moeten verbergen (om over de hoogst frustrerende, opgelegde papierwinkel maar te zwijgen).  Waar doe je het nog voor, is hun reactie. Ziek worden of burn-out raken is het gevolg. Kortom, als de werkcontext in hoge mate de werkbevrediging bepaalt en die slechte werkbevrediging perspectiefloos aanhoudt, dan is men weg. Weg naar een ander beroep.

Het is vanzelfsprekend dat op die plekken in de zorg waar niet continu maar dagelijks en acuut moet worden omgegaan met dood en doodsdreiging de werkstress het hoogst is (b.v. Intensive Care, Ambulance, Hart – en Neurochirurgie, Spoed Eisende Hulp). M.n. verpleegkundigen moeten op die plekken beschikken over een grote stressbestendigheid en mentale draagkracht. Dat hou je best lang vol als je intrinsiek gemotiveerd bent. Het is ook de plek waar de organisatorische context zeer goed geregeld moet zijn om de handelingssnelheid hoog en foutenmarges laag te houden. Dat vereist dat verpleegkundigen voldoende stresshersteltijd krijgen, een persoonlijk passende werk- en vakantierooster, permanente bijscholing en vaardigheidstraining, en een discrete professionele begeleiding als het mis dreigt te gaan.

Het werkelijk grote probleem ontstaat als de intrinsieke motivatie, de liefde voor het vak, al voor en tijdens de opleiding vermoord wordt. D.w.z. als ouders, onderwijskrachten, opleiders de pure vakinhoudelijke kant niet inspirerend en ondersteunend hooghouden, waardoor het onaantrekkelijke beeld ontstaat dat je wel heel erg veel van het vak moet houden wil je het volhouden. Dan drogen de opleidingen voor de meest stressbelastende zorgspecialismen op. 

En ontstaat het beeld dat verpleegkunde een vak is in de gezondheidsindustrie, in plaats van in de gezondheidszorg.

Komt bij: leven we niet in een tijd, in een cultuur met een jonge generatie die grote waarde hecht aan vrije tijd, comfortabel wonen, materiële luxe, die competitie en ratrace afwijzen, kortom bij wie beroepskeuze en werkplek sterk bepaald worden door een extrinsieke motivatie? 

Alles opgeteld: als we onze ‘frontverpleegkundigen’ zoveel mogelijk willen behouden dan zal er zorgvuldig werk moeten worden gemaakt van de vier A’s: Arbeidsinhoud (enthousiasmerende, steunende opleiders). Arbeidsverhoudingen (leidinggevende dokters en verpleegkundigen), Arbeidsomstandigheden (management en HR). Arbeidsvoorwaarden (Ziekenhuisdirecties).

En kom nou niet aan met het excuus-cliché: ‘Het is allemaal het gevolg van de Haagse politiek.’

(*) Het beroep arts is een ongezond vak: internationaal onderzoek toont een verhoogd risico op burn-out, depressie, verslaving en zelfdoding, vergeleken met de niet-arts populatie. Het suïciderisico is vooral fors verhoogd voor vrouwelijke artsen en geneeskundestudenten in de doctoraalfase. En… artsen zijn notoire zorgmijders (‘Te veel dokters kiezen de dood’, Medisch Contact, juni 2010. ‘Een onderzoek naar arbeidssatisfactie onder Nederlandse psychiaters’, Tijdschrift voor Psychiatrie, 2011).

Moet de kunst op dieet?

Communiceren is zo dicht mogelijk langs elkaar heen praten. De taal zit immers vol met misverstanden, misvattingen en wanbegrip. Taal speelt zich op zijn minst af op drie niveaus:

  • Er is de taal waarin wij denken, onszelf iets duidelijk maken, met onszelf communiceren (denktaal);
  • de taal waarin we met elkaar praten, de ander face to face iets duidelijk proberen te maken (spreektaal);
  • de taal waarin wij schrijven, de ander op afstand iets duidelijk willen maken (schrijftaal). 

De denktaal is meestal vluchtig, brokkelig, nogal onsamenhangend, associatief, en ze verdwijnt gemakkelijk uit het geheugen. 

De spreektaal is samenhangend, preciezer, doelgerichter, en blijft meestal wel in het geheugen hangen. En ze wordt onvermijdelijk begeleid met allerlei non-verbaal gedrag dat betekenis moet geven aan de inhoud van het gesprokene. Maar bij het verbale betoog kan het non-verbale gemakkelijk ook niet congruent zijn met de woorden, hetgeen bij de luisteraar het verwarrende gevoel opwekt: hier klopt iets niet, dat glimlachje past niet bij die zware woorden, die ja-woorden passen niet bij het nee-schudden, e.d. 

De schrijftaal lijkt nog de meest precieze vorm van communiceren; men schrijft en schrapt weer om tot het meest heldere, samenhangende betoog te komen. Maar ook bij de schrijftaal moet de lezer goed op de hoogte zijn van allerlei onuitgesproken contexten en paradigma’s waarin het geschrevene staat om het goed te kunnen begrijpen. Zelfs in de meest zuivere talen, b.v. die van de formele logica of de wiskunde, is dat het geval (*). 

Je zou kunnen zeggen: het denken maakt de onderdelen, het spreken kiest de beste uit en legt ze in een begrijpbare volgorde, het schrijven monteert ze stevig aan elkaar. Zoiets. Kortom, denken, spreken en schrijven is een glibberige bezigheid; er zit uiteindelijk niks anders op dan je best doen om zo dicht mogelijk langs elkaar heen te communiceren. 

En dat brengt ons bij de taal van de kunst, de kunst zonder woorden: de klanktaal van de muziek, de beeldtaal van de beeldende kunst, lichaamstaal van de dans. Het lijkt het domein waarin de emotie het allereerst wordt aangesproken. Maar in tweede instantie zal het daar niet bij blijven, ook de emotie, de sfeer, de toon zal zich vroeg of laat in taal gaan ‘vertalen’. Het is deze taal die om een interpretatie vraagt. De emotie die zich verwoordt. Of de taal heeft zich allang esthetisch vertaald, d.w.z. de emotie is al voorgeprogrammeerd, bijvoorbeeld: ‘Oh ja, Bach, dat is….., Mahler is….., Picasso is…., Hopper is…., Béjart is……,’ etc. Het is de taal van de kunst die zich al in het culturele geheugen heeft gevestigd, en daarmee sturing geeft aan de emotie. De geframede emotie die ook al te lezen is in de museum- of concertfolder (**).

Dat brengt je bij de vraag: is de zgn. Vernieuwende Kunst de kunst ‘die nog niet vertaald is, die nog geen verwoording heeft gekregen, nog geen culturele interpretatie heeft gevonden?’ (of misschien de nog bredere vraag wat het onderscheid is tussen kunst en geen kunst) 

Ik ben geen kunstkenner en kom dus voorlopig niet veel verder dan dit: vernieuwende (of scheppende) kunst is niet iets nieuws maken, niet iets dat nooit eerder vertoond is, dat volstrekt uniek is. Ja, denk je dan, dat is er zoveel, dat is mijn smartphone ook. Nee, vernieuwende kunst is niet iets nieuws maken maar iets nieuws maken in het hoofd van de kijker/luisteraar. Iets nieuws wat hem definitief verandert: misschien verandert zijn gebruikelijke gevoels- of zintuigelijke waarneming, zijn vaste belief-system, zijn normen, zijn gedrag (***)? 

Het verandert in ieder geval ten diepste zijn denktaal, in de manier waarop hij zichzelf iets nieuws, een ontdekking, probeert duidelijk te maken. En ditmaal zal de nieuwe ontdekking niet in het geheugen verdwijnen. 

Het verandert bijgevolg ook zijn spreektaal, hij zal over zijn nieuwe ontdekking praten op een wijze zoals hij nog nooit eerder gedaan heeft. En een dergelijk gesprek zal ook door zijn gesprekspartner(s) waarschijnlijk goed herinnerd blijven. En daarmee verandert het ook zijn schrijftaal wanneer hij zijn enthousiasme (of afkeer) vastlegt, mailt of publiek maakt. Zoiets zal er dan gebeuren, zoiets zeer ingrijpends. 

Tsja, maar met dit idee zou heel wat zogenoemde en zogenaamde Vernieuwende Kunst op dieet moeten (zoals Nietzsche het uitdrukt). Dat moet dan maar.

(*) Het idee dat de taal van wiskunde steriel, abstract en beperkt is tot getallen en methodes is een groot misverstand. Alle wiskunde is visueel te maken, kan in woorden of verhalen worden uitgedrukt, of in fysieke (bewegende) objecten. En ook wiskundeproblemen kunnen met intuïtief denken benaderd worden (Jo Boaler, professor of mathematics education, Stanford University, VS). De alpha’s en beta’s liggen veel dichter tegen elkaar dan ze zelf denken.

(**) Overigens heeft de ‘vernieuwende kunstenaar’ zich meestal zelf al een plek in het domein van de kunst toebedeeld door, vaak als collectief, een manifest te schrijven waarin staat hoe de kunstconsument hun werk moet interpreteren. Of men laat dat over aan de kunstcriticus die hun werk ‘vertaald’, verwoord. Bv. bij het Surrealisme, Bauhaus, De Stijl, Abstract Expressionisme, e.a.

(***) Voorbeeld: Ik kan nooit meer een veld klaprozen zien of ik zie Monet. Of: Sommige straatgrafitti is beslist geen vandalisme, Bansky is prachtig, iets voor woningbouwverenigingen en bedrijven. Of: Alle bebop (jazz) die ik beluister gaat terug naar de eerste keren dat ik Charley Parker hoorde spelen, ik was hopeloos verkocht, de reden dat ik een saxofoon heb gekocht.

Waar zijn al die ontbrekende werkenden?

Het herstel van de economie blijkt gepaard te gaan met grote personeelstekorten. Bedrijven die nu om personeel schreeuwen hebben blijkbaar tijdens de Corona pandemie veel werknemers met tijdelijke (oproep)- en uitzendcontracten ontslagen, ondanks de loonsteun van de overheid. Europese migranten zijn onder andere daardoor wegens gebrek aan inkomsten terug gekeerd naar hun eigen land. En nu kunnen bedrijven blijkbaar geen werknemers vinden die opnieuw die baantjes willen vervullen.

Het zou best wel eens zo kunnen zijn dat we tegen allerlei limieten oplopen van wat burgers op de arbeidsmarkt nog accepteren:

  • Onzekere arbeidscontracten;
  • Versnipperde werkuren;
  • Avond- en weekendwerk;
  • Laagwaardig werk;
  • Laag betaald werk;
  • Zwaar werk;
  • Geestdodend werk;
  • Opjagend stressvol werk;
  • Te hoge opleiding voor routinematig geprotocolleerd werk;
  • Niet-passend werk;
  • Slechte arbeidsomstandigheden;
  • Onbetaalbare huisvesting in de Randstad;
  • Vele uren woon-werkverkeer door gebrek aan woningen;
  • Achterstanden studie;
  • Gebrekkige woonomstandigheden voor migranten.   

Blijkbaar hebben werkenden zich tijdens de pandemie beraden over hun werk en hun leven en staan ze niet klaar hun ‘oude werknormaal’ weer op te pakken. Ik ben benieuwd wanneer de eerste onderzoeken over de huidige arbeidsmarkt verschijnen. Het CPB gaf de afgelopen week aan dat jonge mannen tussen 2008 en 2014 minder zijn gaan werken. Maar dat gaat over 7 jaar geleden. De vraag is wat er nu aan de hand is.

Ik verwacht dat we van de kant van de werkgevers weer zeurverhalen te horen zullen krijgen over vrouwen die te weinig uren werken, over ziekteverzuim, over het grote aantal inactieven. Maar dat zal ze weinig helpen. En ik zie het toekomstige Rutte-4 kabinet niet nog eens financieel de zweep over de bevolking leggen om meer mensen te dwingen meer uren te werken, net als in Rutte’s voorgaande kabinetten. 

Het kapitalistisch gaat in de kern uit van vraag en aanbod. De werkgevers zijn al meer dan 10 jaar verslaafd geraakt aan goedkope flexibele arbeid (en stagiaires) uit de onderste helft van de werkende bevolking. Blijkbaar lukt dat niet meer. Als de vraag naar dat soort werkzaamheden opdroogt dan zul je met een beter aanbod moeten komen en met andere bedrijven moeten concurreren om werknemers aan te trekken (zie het lijstje boven). En mocht dat voor bedrijven te duur zijn, dan hebben die bedrijven volgens de klassieke liberale economische theorie onvoldoende reden van bestaan. En kunnen dus hun huidige werknemers beter bij andere bedrijven worden ingezet die werkenden wel een beter aanbod kunnen doen.

Het is niet uitgesloten dat verlies aan koopkracht (inflatie) toch weer gaat leiden tot meer aanbod van arbeidsuren. Maar de huidige situatie is wel een voorproefje van het reeds lang voorspelde gebrek aan arbeidskrachten door een verouderende bevolking. De bestaande Nederlandse economische structuur is daardoor op termijn niet te handhaven, tenzij je met bewust beleid veel meer geschoolde migranten toe laat. Maar aan een dergelijk beleid zullen bestuurders hun vingers niet gaan branden.

Energietekorten en hoge prijzen: hoe lang gaat dat duren?

Terwijl de winter nog moet beginnen, is nu al overal ter wereld sprake van energietekorten. De belangrijkste tekorten treden op in China en India. Daarbij gaat het vooral om gebrek aan kolen voor elektriciteitscentrales. De winning van kolen is wereldwijd tijdens de pandemie fors teruggeschroefd. Ook al neemt de winning nu snel weer toe, de logistieke problemen (schepen/havens) hebben in veel landen de voorraden nog onvoldoende aangevuld. Het tekort aan elektriciteit in China leidt nu al tot rantsoenering: sommige delen van de dag valt gepland de stroom uit. Daardoor moeten de  fabrieken hun produktie verlagen. Dus naast logistieke problemen leidt de energieschaarste tot extra tekorten aan grondstoffen (bijv. voor medicijnen), halffabrikaten (bijv. voor Apple iPhones) en eindproducten (bijv. voor elektronica als computers, televisies etc).

China zal uit politieke overwegingen voorrang geven om schaarse produkten te leveren aan zijn binnenlandse markt en dus minder gaan exporteren. Ook kiezen ze er politiek niet voor om weer kolen uit Australië te importeren. Australië werd gestraft met het stopzetten van de kolen- en wijnimport toen dit land vroeg om verder onderzoek naar het ontstaan van de  Corona-epidemie in Wuhan.

In Europa is al langer een ontwikkeling aan de gang om de kolencentrales te sluiten. Daardoor is de vraag naar gas voor de productie van elektriciteit structureel gestegen. Nu de economie weer begint te draaien is er sprake van een overmatige vraag naar gas en dus snel stijgende gasprijzen.

In de Europese situatie is sprake van een aantal specifieke factoren:

  • Frankrijk heeft weinig problemen, elektriciteit wordt daar vooral geproduceerd door meer dan 70 kerncentrales.
  • Nederland exporteert sinds kort nauwelijks gas meer door het terugdraaien van de winning in Oost-Groningen.
  • De 2e gaspijplijn van Rusland naar Duitsland is wel gereed, maar wordt nog niet gebruikt: die moet nog worden goedgekeurd door een nieuw te vormen regering in Duitsland.
  • Met de winter in aantocht zal minder elektriciteit kunnen worden opgewekt uit zonne-energie systemen.
  • Duurzame energie als wind en zon kunnen niet snel meer worden uitgebreid. De Europese hoogspanningsnetwerken zijn al bijna overbelast. De afgelopen jaren is door Europa (ook door Nederland!) nauwelijks geïnvesteerd in uitbreiding van die netwerkcapaciteit, terwijl ondertussen de nieuw beschikbare capaciteit werd opgeslokt door datacentra van Google, Amazon en Microsoft, alsmede voor datamining van cryptomunten.  Mede door milieu procedures en verzet van burgers is het niet te verwachten dat het hoogspanningsnetwerk in Europa snel kan worden uitgebreid. Niemand wil een hoogspanningsmast in zijn uitzicht.
  • Door de koppeling van Europese netwerken zullen overal in de EU tekorten op kunnen treden. Enige weken geleden viel de stroom voor een uur uit in Spanje en Portugal als gevolg van netwerkstoringen in Frankrijk.
  • In het Verenigd Koninkrijk is sprake van gastekorten als gevolg van de Brexit. De Engelse regering was ook niet voorbereid op de noodzaak in ieder geval gasvoorraden te creëren. Ook is in Engeland sprake van een wettelijk vastgelegde vaste gasprijs: veel kleinere leveranciers hebben hun bedrijf al gesloten omdat ze tegen die prijs niet kunnen leveren en laten veel burgers letterlijk in de kou zitten.
  • Ook Nederland was niet voorbereid op de overgang van export naar import van gas. In Maart achtte de Nederlandse regering het niet nodig om alvast import contracten voor gas vast te leggen. Ook bestaat in Nederland (zoals wel in andere landen) geen wettelijke plicht de grote gasopslagplaatsen, zoals onder andere bij Burgum – verhuurd aan het Russische Gazprom – voor de winter te vullen. Gas dat nu dus duur moet worden ingekocht.

De vraag is vooral is hoe tijdelijk de produktie en leveringsproblemen van elektriciteit zijn, en dus hoe hoog de prijzen zullen blijven. Economische instituties spreken steeds weer van tijdelijke problemen, maar hun eigenlijk doel lijkt vooral geen publieke en financiële paniek te zaaien.

Een andere vraag is hoe snel bedrijven (bijv. tuinders) over kunnen gaan van gas op olie. Substitutie zal ongetwijfeld plaats gaan vinden. Meer vraag naar aardolie zal dus ook de olie (en dus de benzine- en dieselprijs) op drijven en de inflatie verder doen toenemen.

Maar hoe lang zal tijdelijk blijken te zijn? Op basis van de vele politieke en economische factoren die meespelen, is dat met geen enkele zekerheid vast te stellen.